Kritiek op het wetenschappelijk bedrijf

J.J. Voskuil

Net als de Kerk, de Politiek en de Cultuur vertoont de Wetenschap alle kenmerken van een totalitair systeem. Er is een abstract doel, dat nooit als zodanig gedefinieerd wordt maar juist daardoor verdacht veel weg heeft van de communistische heilstaat. Er is een strakke hiërarchie, waarin de mensen aan de top onmatig worden bevoordeeld en die aan de basis uitgebuit. Haar dienaren worden niet beoordeeld op hun menselijke kwaliteiten maar op hun bruikbaarheid voor het systeem. En met degenen die om een of andere reden hun bruikbaarheid verloren hebben, wordt als dat zo uitkomt en afhankelijk van de willekeur van de zetbaas die macht over hen heeft, genadeloos afgerekend. Zolang ze maar geloven in het nut van het vergaren van kennis, hoeven ze zich niet te vervelen, want `van vele boeken te maken is geen einde' (Prediker 12, vs 12). Ik kan het weten want ik heb de Wetenschap dertig jaar gediend, zij het zonder erin te geloven. Nooit leek het leven grauwer, zinlozer, doellozer dan wanneer ik na het voltooien van weer een artikel terugzakte in mijn stoel en me afvroeg waar ik in godsnaam mee bezig was: `En weten dat wij nooit iets zullen weten, dat alles nutloos is: gejuich en kreten, tot aan het einde, tot den laatste snik' (Van Nijlen). [p. 28f.]

Prediker 12, vs 12. Optima, Cahier voor Literatuur en Boekwezen 14 (1997), 53, 25–30.






Professor

L. Prick

   […] voor de meesten was het werken aan de universiteit een gewone, ambtelijke baan, waarbij je je best deed om — hoe dan ook — het hoogste te bereiken. Niet uit interesse voor een bepaald vakgebied, maar uit overwegingen van status en salaris. Dat mij dat verbaasde had ongetwijfeld te maken met mijn naïviteit.
    Is een hoogleraar niet benoemd vanwege zijn wetenschappelijke verdiensten, dan heeft hij, zo leert de ervaring, die benoeming te danken aan het feit dat hij uitstekend past binnen de cultuur van de club. Een keurige man, er komt weinig uit maar er valt ook niets op aan te merken.
    Zo mogelijk nog treuriger, vond ik het te ontdekken dat bestuurders zich al evenmin lieten leiden door hun streven naar kwaliteit. […] Kwaliteit was een sluitpost. Wetenschappeljke nieuwsgierigheid werd laatdunkend getypeerd als hobbyisme.
    Geheel in deze cultuur past de overvloed aan buitengewone hoogleraren die de universiteiten de afgelopen jaren hebben benoemd. Het buitengewone aan deze hoogleraren betreft niet hun kwaliteit, maar schuilt in het gegeven dat de kosten van hun aanstelling in de regel wordt overgedragen aan een andere instantie. Zij kosten de universiteit weinig of niets. De organisaties die ervoor betalen, hebben dat graag over voor het extra prestige dat dit oplevert en de hogere rekeningen die ze kunnen schrijven.

NRC Handelsblad, 06-04-02





Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late.

Beatrijs




Update:  April 8, 2002
Copyright © 2002 Anne Boomsma, University of Groningen, The Netherlands
All rights reserved.